Over Doofblindheid

Een beperking in zien en horen

Sommige mensen zijn blind of zien slecht. Andere mensen zijn slechthorend of doof.

DB-connect is er voor mensen met beide zintuiglijke beperkingen en hun omgeving. De combinatie van beperkt zijn in horen en zien is niet ‘gewoon een optelsom’, maar zorgt voor nieuwe, eigen vraagstukken en uitdagingen. Als het gezichtsvermogen achteruitgaat moet iemand zijn weg in het donker vinden door van lantaarnpaal naar lantaarnpaal te lopen. Doordat gesproken communicatie steeds slechter te verstaan wordt, kan iemand zich terugtrekken uit het sociale leven. Des te belangrijker is het om met deze beperkingen om te kunnen gaan. Maar wat is nu de definitie van een beperking in zien en horen?

Definitie van doofblindheid

Het platform doofblindheid heeft in 1999 de volgende definitie opgesteld:

“Doofblindheid is een combinatie van doof/slechthorendheid en blind-/slechtziendheid. Doofblindheid belemmert mensen in hun communicatie, het verwerven van informatie en de mobiliteit. Zonder aanpassingen, hulpmiddelen en/of ondersteuning van anderen kunnen doofblinde mensen niet vanzelfsprekend deelnemen aan het dagelijkse en het maatschappelijke leven.”

Doofblindheid: een combinatie van zintuigelijke beperkingen

Onder slechtziendheid verstaan we een visus (gezichtsvermogen) van minder dan 30% en/of een gezichtsveld kleiner dan 30 graden. Slechthorendheid wordt geconstateerd bij een gehoorverlies van meer dan 35 decibel aan het beste oor.

Als iemand zowel slechtziend als slechthorend is, wordt dit ook wel doofblindheid genoemd. Doofblind klinkt zwaar, zeker voor mensen die niet volledig doof en/of blind zijn. Maar de belemmeringen van iemand met een beperking in zien en horen, zijn op dezelfde gebieden als die van iemand die volledig doof en blind is.

De voorkeur gaat over het algemeen uit naar de term een beperking in zien en horen, omdat de meeste mensen zich daarin herkennen. In de literatuur kom je de term doofblindheid nog vaak tegen. Op deze site worden beide termen gebruikt.

Subgroepen op basis van verschillen in functioneren

De verschillen tussen mensen met een beperking in zien en horen zijn groot. Iedereen ervaart zijn of haar beperkingen anders. Om toch een definitie te geven, wordt er onderscheid gemaakt in drie groepen:

Aangeboren (of: congenitale) doofblindheid

Hiervan is sprake wanneer iemand doofblind wordt voor de geboorte, rond de geboorte, of in het eerste levensjaar. Naar schatting zijn er zo’n 2000 mensen in Nederland met aangeboren doofblindheid, al is dit waarschijnlijk een onderschatting. De taalontwikkeling wordt gezien als een belangrijk moment hierbij: als de doofblindheid zich openbaart vóór de start van de taalontwikkeling, is er sprake van aangeboren doofblindheid.

Kenmerken van mensen uit deze groep:

  • Verminderde toegang tot de wereld om zich heen.
  • Cognitieve ontwikkeling verloopt langzamer.

(Vroeg) verworven doofblindheid

Hier is sprake van wanneer mensen op jonge of volwassen leeftijd doofblind zijn geworden. Ongeveer 1.000 tot 1.500 mensen in Nederland heeft deze beperking. Zij hebben een normale taalontwikkeling doorgemaakt en konden daardoor communiceren met anderen zonder aanpassingen. Door een verminderd zicht en gehoor is deze groep gedurende het leven afhankelijk geworden van hulpmiddelen en omgeving.

Kenmerken van mensen uit deze groep:

  • De beperkingen die mensen met verworven doofblindheid hebben zijn heel verschillend.

Ouderdomsdoofblindheid

Men spreekt van ouderdomsdoofblindheid wanneer de beperkingen na het 55e levensjaar optreden. Dit is naar schatting de grootste groep mensen met een beperking in zien en horen, die door de vergrijzing verder zal toenemen. Zo’n 80.000 mensen boven de 80 jaar behoren tot deze groep. De meesten mensen zijn niet volledig doof of blind en herkennen zich niet in de term doofblindheid. De term ‘een beperking in zien en horen’ past meer bij hen.

Kenmerken van mensen uit deze groep:

  • Het gehoor en zicht gaat langzaam achteruit.
  • Ze zoeken meestal geen hulp en de beperkingen worden vaak verward met dementie.
  • Vaak worden ze onzeker en angstig, zonder dat ze begrijpen waarom.
  • Ze vertonen vaak geleidelijk aan gedragsveranderingen, waarvan ze zich niet bewust zijn.